1. Ouders & Cliënten
  2. Voor kinderen
  3. Scholen & verwijzers
  4. Kennisverdieping
  1. Nieuws
  2.   /   Over braams
  3.   /   Links
  4.   /   Contact
Spreekbeurt voortgezet onderwijs

Spreekbeurt voortgezet onderwijs


aantekeningen voor leerlingen op het voortgezet onderwijs 


door Marjon Leijen, orthopedagoge
© Braams, Deventer 2004: Voor eigen gebruik is het uitprinten van dit stuk toegestaan. Vermenigvuldigen of publiceren op enigerlei wijze is verboden. Bij gebruik van informatie wordt bronvermelding zeer op prijs gesteld.


Dyslexie


In een spreekbeurt kan aan de orde komen:
 
  • Wat is dyslexie? Eventueel definitie. (zie ook: artikel)
  • Wat zijn de oorzaken? (zie hersenen)
  • Verschillende ideeën over dyslexie.
  • Wat merk je er zelf van als je dyslexie hebt?
  • Welke vakken kosten moeite op school?
  • Hoe wordt het onderzocht?
  • Wat is er aan te doen?
  • waaruit bestaat een behandeling?
  • welke hulpmiddelen zijn er?


Kenmerken van dyslexie

Als je dyslexie hebt, is het leren lezen moeilijker dan voor andere kinderen. Het gaat niet zomaar vanzelf. Het duurt langer voor je alle letters en klanken goed aan elkaar hebt gekoppeld en de woorden als geheel kunt lezen.

Met het schrijven is dit soms nog moeilijker. Je moet dan het woord onthouden om te weten welke klanken je na elkaar hoort en ook nog weten hoe je die klanken moet schrijven en of je wel of geen regel moet toepassen.

Dit zijn kenmerken die bijna iedereen zal weten.

Minder bekend is, dat je ook last hebt van rumoerigheid in een ruimte. Je kunt dan iemand die tegen je spreekt, minder goed verstaan. Dit heeft niets met je gehoor te maken maar wel met het feit dat je hersenen minder informatie doorkrijgen als er naast het geluid dat je wilt horen nog een ander geluid te horen is.

Ook kun je vaak leerstof niet zo snel automatiseren. Dat betekent dat je niet na een paar keer horen, zien of doen iets direct onthoudt. Bijvoorbeeld bij het leren van de tafels lukt het de meeste kinderen na een poos oefenen om al die vermenigvuldigingen gewoon te weten, zonder te hoeven rekenen. Het gaat automatisch. Bij een dyslectisch kind duurt het veel langer voor iets automatisch gaat, of het lukt helemaal niet. Gelukkig hebben we tegenwoordig goede rekenapparaatjes.

Een ander geheugenprobleem waar je mee te maken kunt hebben, is dat je moeilijk losse feiten of instructies kunt onthouden. Als de leerkracht iets uitlegt, of een opdracht geeft, ben je hier vaak delen van vergeten op het moment dat je aan het werk moet. Vraag dus de leerkracht het voor jou nog eens te herhalen, samen te vatten of het even op te schrijven.

Overschrijven van het bord is ook een probleem waar je tegenaan kunt lopen. Je moet dan kijken welke letters er achter elkaar staan en dit proberen te onthouden. Een dyslectisch kind moet vaker heen en weer kijken tussen bord en schrift. Dit kost veel meer tijd en een foutje is snel gemaakt.

Begrijpend lezen is voor sommige kinderen met dyslexie ook een moeilijke klus. Als je een Nederlandse tekst goed leest, zul je merken dat veel woorden meerdere betekenissen hebben. Ook kom je veel zinnen tegen die je niet letterlijk kunt nemen. Bijvoorbeeld spreekwoorden, of cynisch gebruikte termen. (Als je leest: “als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel”, staan de muizen niet echt een dansje te maken op de tafel.) Bij het lezen van een tekst wordt dus nogal wat flexibiliteit van je verwacht; namelijk dat je snel kunt begrijpen welke betekenis hier wordt bedoeld. Als het technisch lezen zelf al veel moeite kost, blijft voor het begrip niet zo veel aandacht of energie meer over. Maar ook is de flexibiliteit in het denken over talige begrippen vaak wat minder bij dyslectische kinderen.

Soms kan je ook moeilijk op woorden komen, als je iets moet vertellen. “Je weet wel, zo’n dinges” is dan een veelgehoorde uitspraak.


Hoe wordt onderzocht of je last hebt van dyslexie

Om te kunnen vaststellen of je dyslexie hebt, moet aangetoond worden dat de onderliggende problematiek aanwezig is. Dat je de kenmerken van dyslexie inderdaad hebt. Onderzoek wordt dus gedaan naar de verwerking van klanken. Hét kenmerk van dyslexie is dat deze niet goed verloopt. In de test krijg je dus klanken te horen die je moet koppelen. Bijvoorbeeld wordt gevraagd of je het woord herkent als je de losse klanken (letters) na elkaar krijgt te horen. Of je moet zelf woorden verklanken. Uiteraard wordt er gekeken hoe het lezen en spellen gaat. Of dit veel achter loopt op de klasgenoten of niet.

Er wordt gekeken of je problemen hebt met je geheugen en met het “op woorden komen”.

Natuurlijk wordt ook onderzocht of je wel slim genoeg bent om het leren op school aan te kunnen. En er wordt nagevraagd wat de school al gedaan heeft om het leren lezen en spellen te verbeteren. Als een school je namelijk niet goed leert lezen en spellen, of je er niet goed mee kan helpen, ligt het aan de school en niet aan dyslexie. Maar gelukkig zijn de meeste scholen tegenwoordig wel goed.


Verschillende ideeën, c.q. theorieën over dyslexie


Hersenhelft-specialisatie modellen

In de tweede helft van de negentiende eeuw werden belangrijke ontdekkingen gedaan over de functies van verschillende hersengebieden. ‘Alexie’ (niet kunnen lezen) werd toen gezien als uitval van een bepaalde hersenlocatie. Hinshelwood noemde de alexie bij kinderen voor het eerst woordblindheid, alsof het probleem lag in het niet goed kunnen zien van woorden.

Begin twintigste eeuw werd de term dyslexie al gebruikt. Men had toen het idee dat de twee hersenhelften ieder hun eigen specialisatie ontwikkelden wat betreft functie. De ene helft verwerkte taal (links) en de andere helft ruimtelijke informatie (rechts). Volgens Orton bleven bij dyslectische kinderen allebei de hersenhelften zich met allebei de functies bemoeien, ze specialiseerden zich dus niet.

De ideeën over de verschillende specialisaties van de hersenhelften spelen nog steeds door. Bijvoorbeeld in het Balansmodel van Bakker. Hierin wordt gesteld dat het beginnende lezen vooral in de rechterhersenhelft gebeurt en het gevorderde lezen vooral links. Behandeling bestaat dan uit het stimuleren van de goede hersenhelft. Dit blijkt echter onvoldoende te werken.

Neuropsychologische modellen

Bij deze modellen werd er van uitgegaan dat hersengebieden gedurende de ontwikkeling rijper werden en meer gespecialiseerd voor hun taak. Lezen betekent dat je letters ‘ziet’ en deze moet omzetten naar een klank die je kunt ‘horen’. Men ging kinderen die problemen hadden met lezen behandelen door ze steeds taken aan te bieden die de koppeling tussen het zien en horen stimuleerden, bijvoorbeeld ritmische tikken laten horen en het kind moest dan op een kaart kijken of het dit ritmische patroon kon herkennen. Men dacht hierdoor ook het lezen en schrijven te kunnen verbeteren. Dit bleek echter vaak niet zo te zijn.

Psycholinguïstische modellen

Mensen gingen nu een relatie leggen tussen de taalvaardigheid en de lees- en schrijfstoornissen. Gezien werd dat de taalvaardigheid van een kind vergeleken met zijn intelligentie vaak achterbleef. De prestaties bij het lezen en schrijven vielen lager uit dan op grond van de intelligentie van het kind werd verwacht. Dyslexie was een taalprobleem.

De aandacht verlegde zich dus naar de taaltraining en trainen van het gehoor.

Later ontdekte men dat de fonologische aspecten van de taal een rol speelden. Dat wil zeggen de verwerking van klanken moeilijk verloopt. Hulp bestaat dan uit het trainen van de klank-tekenkoppeling en op basis hiervan het spellen en lezen opbouwen.
 

Een behandeling

Bij Braams wordt dyslexie gezien als een complex taalprobleem (Zie het boek van Tom Braams). De fonologische problematiek wordt als kernprobleem gezien.

De behandeling bestaat uit het aanleren van het klankbord. Spellingregels leren is als het bouwen van een huis. De klank-teken-koppeling is het fundament. Wanneer het fundament van het huis niet stevig is, kun je nog zulke goede muren bouwen, ze zakken toch langzaam de grond weer in.

Eerst moeten we dus zorgen dat het “klankbord”; het overzicht van alle klanken met hun bijbehorende tekens, beheerst wordt. Er zijn zes soorten klanken: korte, lange, twee-, drie- en viertekenklanken en medeklinkers. Per klank wordt eerst een symbool aangeleerd. We kunnen dan alle klankzuivere woorden maken met de symbolen (geheimschrift). Wanneer dit lukt, worden de tekens (=letters) in de symbolen gezet. En ziedaar, de klankzuivere woorden kunnen goed worden geschreven.

Pas als het klankbord helemaal bekend is en goed gebruikt kan worden, wordt een begin gemaakt met een eerste spellingregel. Iedere regel wordt eerst uitgelegd en geoefend. Oefenen betekent vrijwel dagelijks woorden of zinnen schrijven. Steen voor steen (regel voor regel) wordt dan een muur gemetseld op het fundament. Na een aantal regels wordt herhaald en gekeken of de vorige regels nog bekend zijn.

Ook langere woorden worden met behulp van het klankbord gesplitst en op basis van de klanken worden regels toegepast. (niet in lettergrepen dus maar in klankvoeten)

Behandeling van lezen kan natuurlijk alleen maar door middel van lezen zelf. Belangrijk is dat er leuke boeken gevonden worden zodat de motivatie om te lezen door het boek zelf gestimuleerd wordt. Daarnaast wordt er hardop gelezen met iemand er naast. Die kan dan eventueel helpen en het is ook gezellig om samen te lezen. Er zijn dan verschillende mogelijkheden. Eerst een stuk laten voorlezen en dan zelf lezen. Het lezen gaat dan makkelijker omdat de tekst al een keer gehoord is en je al weet waar het over gaat. Om de beurt een zin of alinea lezen kan de vaart er in houden. Of alleen de moeilijke woorden kunnen voorgezegd worden. Door veel te lezen gaat het lezen meestal wel vooruit.

Daarnaast kunnen de structuren van woorden herkend gaan worden. Het oefenen van de spellingregels kan daarbij ook helpen. En er bestaan wat computerprogramma’s waarmee je woorden met eenzelfde structuur kunt laten lezen / flitsen.


Tips en hulpmiddelen

Er zijn een heleboel tips te geven voor kinderen met dyslexie. Daar zijn goede boeken over, bijv. Ik heet niet d/bom. Leren leven met leerstoornissen. Door: Anny Cooreman en Marleen Bringmans . Uitgeverij Acco, Leuven/Leusden (2002). Ook op de site van Braams zijn veel tips te vinden.

De laatste jaren is er veel ontwikkeld op het gebied van hulpmiddelen. De computer heeft veel mogelijk gemaakt. Zo zijn er aparte programma’s waarmee een kind (of jongere) zelf de spelling kan oefenen. Bijvoorbeeld in het middelbaar onderwijs cd-roms of diskettes om de woorden of grammatica uit een vreemde taal mee te oefenen.

Daarnaast is het mogelijk teksten te scannen en door te computer te laten voorlezen. Het nieuwste programma op dit gebied is “Kurzweil 3000“. Bij dit programma krijg je de tekst op je beeldscherm te zien en de alinea die de computer voorleest wordt middels kleur uit de tekst opgelicht. Het woord waar de computer mee bezig is, heeft weer een andere kleur. Je kunt dan dus goed meelezen.

De Daisy-speler is ook een hulpmiddel. Dit is een soort walkman of disc-man. Een boek is ingesproken op cassette of cd-rom en zo kun jij er naar luisteren. School- en studieboeken kun je op deze manier toch “lezen”.

In de klas zelf met een koptelefoon luisteren naar een tekst is prettig wanneer je veel last hebt van geluiden om je heen. Je kunt dan ook zelfstandig en in je eigen tempo werken aan de opdrachten.

Voor Engels lezen en vertalen bestaat de Reading-pen. Met deze pen kun je woorden uit een tekst scannen, luisteren hoe dat woord uitgesproken wordt en de vertaling opzoeken. Dit kan zowel van Engels naar Nederlands, als van Nederlands naar Engels. Ook zit hier een Nederlands woordenboek in, zodat je de beschrijving van moeilijke woorden in een Nederlandse tekst kunt vinden. Een voordeel van deze pen boven een woordenboek is dat er ook vervoegingen van werkwoorden in te vinden zijn die niet in een woordenboek staan.


De dyslexieverklaring

Als er aangetoond is dat je dyslexie hebt, krijg je een dyslexieverklaring. Hierin staat vermeld dat je dyslexie hebt en op grond daarvan bepaalde aanpassingen nodig hebt om onderwijs goed te kunnen volgen. Hiermee kun je bepaalde rechten verkrijgen op scholen en bij opleidingen. Zo heb je recht op teksten met een groter lettertype zodat de tekst makkelijker door je gelezen kan worden. Of kan bijvoorbeeld de CITO – toets in groep 8 worden voorgelezen. Bovendien heb je recht op meer tijd bij proefwerken en examens. Als het nodig is, kan er op de verklaring vermeld worden dat je gesproken boeken nodig hebt omdat je zelf onvoldoende goed kunt lezen om de informatie op te nemen.

Ook andere hulpmiddelen kunnen op deze manier vermeld worden, zodat je op school kunt aantonen dat je deze nodig hebt, om de opleiding met goed gevolg te kunnen doorlopen.

Uiteraard staan hier een aantal plichten van de leerling tegenover. Je moet je wel voldoende inzetten om tot prestaties te komen. En ook moet je zelf voor je rechten opkomen en bij docenten om vragen als ze het vergeten.